Nieuws  19 juni 2020

Emma Lesuis

Staat van de Dag, vrijdag 19 juni 2020

Had ik maar een tuintje

[English version below]

Afgelopen week ontmoette ik Insayno, een woordkunstenaar uit Rotterdam. Hij deed de uitsmijter in een talkshow die ik hostte over circulaire economie. Gek dat ik niet eerder van deze Insayno heb gehoord, dacht ik toen ik ter voorbereiding zijn videoclips bekeek. Die gingen over maatschappelijke ongelijkheid, machtsverhoudingen, politiegeweld… De teksten hadden gisteren geschreven kunnen zijn. Tijdens het bekijken van de videoclips ontroerde hij me. Niet zozeer om de issues die hij aankaartte, want: what’s new? Maar ik vond het ontroerend om te zien hoe hij de woorden en het talent bezat om innerlijke strijd te vertalen naar een kunstproject. Het fascineert me mateloos hoe andere artiesten/kunstenaars/theatermakers van kleur maatschappelijke issues omzetten in een artistiek product. Hoe ze (of eigenlijk we, want ik ben er ook onderdeel van) gewortelde pijn van ons afschrijven als collectieve traumaverwerking. Of het nu muziekgroep Zwart Licht is of actrice Joy Delima bij ITA, de net afgestudeerde regisseur Gavin Viano of beeldend kunstenaar Felix de Rooy, we zijn allemaal een schakel van dezelfde ketting, waarin we ongelijkheid aankaarten en (onze) vrijheid bevechten via de kunsten.

Zwarte identiteitsverhalen verschijnen de laatste jaren als moedervlekken op de huid. Ik lees ze, bekijk ze, hoor ze aan; op zoek naar herkenning of een nieuw inzicht. Het werkt helend. Vaak zat ik in een publiek en keek ik met bewondering of jaloezie, maar ook met (grote) ergernis, naar theatermakers die duidelijk geen verantwoordelijkheid voelen voor een maatschappij. Makers, bij wie de kleur van de huid niets vertelt noch kleeft aan een verleden. ‘Ik wil mensen gewoon vermaken, ontspanning geven,’ zei een witte acteursvriendin eens tegen mij. Ze dacht nooit na of ze iets wilde veranderen. Van traan naar lach misschien? Wat een vrijheid, als je niet bewust bent onderdeel te zijn van een collectiviteit, dacht ik toen. En wat irritant dat ik me zo geroepen voel. Het wrange is, ook als je als maker van kleur niet de maatschappelijke kaart wilt spelen, dan is er vaak nog wel een verwachting. Zo sprak ik vorig jaar leerlingen van een Vlaamse theaterschool die kritiek kregen omdat ze ‘niets deden met hun zwartheid’. Moet je daar iets mee? Ben je ergens verantwoordelijk voor? Alleen al dat je jezelf die vragen niet hoeft te stellen, betekent dat je als maker een vrijheid geniet.

In 2017 had ik, voor Oerol, een telefonisch interview met theatermaker Saman Amini naar aanleiding van zijn voorstelling A seat at the table. Ik vroeg hem wat er op de planning stond, of hij ook iets anders kon maken dan een maatschappelijk geëngageerd stuk. Nee, dat kon hij niet, nog niet. Hij zou wel willen, een voorstelling over de liefde, om maar iets te noemen, maar die ongelijkheid die zat te diep, mensen waren nog te onwetend. Daarmee nemen vele makers van kleur ook een grote verantwoordelijkheid op zich. We kunnen ons dan wel artistiek uiten, maar er zit ook een overredingskracht in voor een (voornamelijk) wit publiek. Hoor! Zie! Doe iets! Theatermaker Ira Kip schreef onlangs in een mailwisseling voor De Theatermaker dat ze klaar was met opvoedvoorstellingen. ‘Is er geen ruimte voor ons om het te hebben over iets anders behalve de blinde vlek van witte mensen?’ Moedeloos schrijft ze neer dat het gebrek aan kennis hier, ze woonde jaren in New York, in haar hoofd kruipt als een wolk waarin ze depressie of burn-out niet uit elkaar weet te houden. Hoeveel lentes moest ze nog wachten tot ze die verandering in Nederland zou zien?

De moedeloosheid die ze beschrijft, vond ik herkenbaar. Ik voel me al jaren geroepen om te wroeten in trauma’s en persoonlijke verhalen te delen, om een breed publiek mee te krijgen in ons verhaal. En eerlijk gezegd, hoezeer dat voor mij zelf ook werkt als heling, ben ik een beetje moe. Om een vertegenwoordiger te zijn van een fictief collectief ‘makers van kleur’, of ‘inclusieve makers’, of ‘diverse makers’. In het debat over racisme (het is al bijzonder dat het überhaupt een debat is) blijft de focus liggen bij ‘ons’. Waarom moet ik of we ons hier steeds toe verhouden en niet de wit-huidigen onder ons? Want om welk verhaal gaat het nu eigenlijk? Om dat van slachtoffer George Floyd of aggressor Derek Chauvin? De zwarte mens wordt geacht zich collectief te identificeren met George Floyd, maar doet de witte mens dat ook met Chauvin? Ira eindigde de brief met ‘we need a revolution’. Niet lang daarna werd hashtag educate yourself trending, lijkt niemand meer te struikelen over de woorden institutioneel racisme en worden lijsten met boeken over zwart bewustzijn en wit privilege gedeeld alsof het snoepjes zijn. Plotseling lijkt er een verschuiving te komen en is daar een zichtbaar collectief besef: we’re all in this together.

Ik ging naar drie demonstraties, omdat ik weet dat alle lijven tellen, maar het ging ten koste van mijn eigen lijf. De verhalen, de emoties, de herinneringen; het was te veel. ‘Word geen junk omwille van de goede zaak,’ appte moeder nog. In de talkshow wilde ik Insayno vragen of hij een tuintje had waar hij in kon wroeten om de gedachten uit zijn hoofd in de aarde te laten verdwijnen. Als therapie. Want een constant strijden of de verantwoordelijkheid opnemen om verandering proberen door te voeren, eist zijn tol. Maar eigenlijk was het een vraag aan mijzelf, bedacht ik me, of eerder een verlangen. De druk (of de wil) is soms te groot, de muren zijn soms te hoog. Had ik maar een tuintje. De lockdown-periode had mij juist zo goed gedaan doordat er van buitenaf een rem op werd gezet. Eventjes hoefde ik niet te graven in een verleden, niet te zoeken naar de juiste woorden en kon ik me focussen op het circulaire leven. De spieren in mijn schouders ontspanden, er kwam ruimte. Totdat mijn social media zwart kleurde en daarmee ook mijn gemoed.

Zaten we maar met zijn allen op een eiland, om het erover te hebben, om de zwarte blokken die als trauma’s opgestapeld zitten in onze lijven er samen uit te masseren. Om te bespreken wat we hebben opgeslorpt de afgelopen tijd en hoe dat smaakte. ‘Eindelijk kunnen we het over iets anders hebben,’ grapte ik naar een “activistische” vriend. We lachten in emoticons en huilden wat van binnen. Eigenlijk niet alleen van binnen. Want hoe mooi het ook is dat er nu echt wordt geluisterd naar de boodschap die mensen van kleur al decennia roepen, toch bemerk ik bij mijzelf een cynisme dat de laatste jaren erin geslopen is. Al die diversiteitstrajecten, debattengaan we weer. Nogmaals, ik ben wat moe. En dat zijn we vast allemaal, maar we moeten er ‘even doorheen’, zoals moeder ook nog appte. Gelukkig was daar Insayno. De woordkunstenaar die een jas droeg van petflessen en een gemeenschappelijke tuin had. Zijn artiestennaam bleek een afkorting van ‘In Nasty Situations All You Need: Optimism’. Hij was op dat moment het juiste medicijn.

Foto: Ruben Hamelink

Deel deze pagina