Nieuws  18 juni 2020

Stine Jensen

Staat van de Dag, donderdag 18 juni 2020 | No man is an Island

Ochtendgloren

Goedemorgen,

Tegenover mij zit mijn zus. We zijn op een eiland, een buureiland van Terschelling. Ze neust in Delpher, een online-archief. Soms rapporteert ze opgetogen over haar vondsten: ‘1832, cholera-uitbraak. Bewaar een kalm gemoed’; ‘Spaanse griep, 1 kind op school in Baarn’; ‘1918, bioscoop belangrijkste besmettingshaard’, ‘1877. Niet meer neuspeuteren.’

Ik heb nog nooit van deze zoekmachine gehoord, maar de opgetogen kreten maken duidelijk dat hij vol is van snoepjes voor historici die – en dat komt goed uit tijdens een pandemie – de deur niet meer uit hoeven om in het verleden te graven voor parallellen met het heden. Nu is mij voor deze gelegenheid gevraagd om over de toekomst te schrijven, imaginair moet het wezen, op zoek naar nieuwe manieren voor ‘gedeelde ervaringen’. Ik heb niks aan Delpher, ik wil een glazen bol. Al hoewel?

In een online citatencaroussel verstrooi ik de tijd met het lezen van uitspraken over de samenhang tussen verleden, heden, toekomst. ‘In de ruïnes van het verleden liggen de parels van morgen,’; ‘Als je niets leert van het verleden, zul je in de toekomst telkens nieuwe lessen krijgen.’ ‘Het heden is zwanger van de toekomst,’ Denis Diderot. Nog een Fransman, Flaubert: ‘De toekomst kwelt ons, het verleden houdt ons tegen, daarom ontsnapt het heden aan ons.’

Aha! Wie de toekomst wil lezen, moet het heden begrijpen. Wie het heden wil begrijpen, moet het verleden omarmen. Wie daar iets van leert, hoeft geen utopie te ontwerpen of imaginair te worden. Delpher is mijn glazen bol.

Ik verstrooi de tijd, tik Oerol in Delpher in. Steekwoorden uit krantenkoppen uit de vorige eeuw verraden dat Oeral al heel lang een bedreigde diersoort is. Tekort, subsidie, korting, gratis optredens van kunstenaars, verdwijnen. Ik tik eilanden in. Op eilanden zitten mensen afgezonderd, samen alleen. Dan Alleen samen. In 1895 een artikel kopt het Rotterdamsch Nieuwsblad over het gevaar van de wielersport voor dames. Eerst ging ze samen met haar man fietsen. Toen een stukje alleen. Nu gaat ze niet meer. Hooguit alleen samen nog een klein stukje fietsen. Ik constateer: sommige zaken blijven lang hetzelfde (kunstenaars bedreigd), met andere maken we meters (vrouwen kunnen prima fietsen, samen en alleen, dat wiel hoeft niet opnieuw uitgevonden)

‘Alleen samen!’ is ook van gedaante veranderd. Van een aanmaning werd het hét solidariteitscredo voor deze pandemie. Het betekent dat we het alleen samen kunnen. Maar ook dat we samen alleen zijn. Het appelleert aan de mensheid als één grote samenwerkende groep tijdens ons alleen-zijn. De slogan werkte een tijdje zo goed als hij klinkt. Samen met zijn allen in hetzelfde schuitje. Er was iets zaligs en geruststellends aan de angstige situatie: in de eerste existentiële ervaringen van het virus waren we allemaal écht gelijk, want sterfelijk. De Britse filosoof Alain de Botton heeft dat al eens mooi verwoord in Statusangst eenmaal oog in oog met de dood vallen statusverschillen weg: bohémien en bankdirecteur worden prompt gelijken. Oog in oog met de pandemie, waren we bevrijd van identiteitspolitieke gevechten en genoopt tot samenwerking als één groep. Met een gemeenschappelijke vijand (het virus) voor de deur vielen verschillen prompt weg.

Het duurde niet lang. Snel werd duidelijk dat bepaalde groepen in slechte omstandigheden harder geraakt werden dan andere – zwarte Amerikanen, arbeidsmigranten - en dat de ene groep grote – misschien te grote - offers bracht voor de andere groepen: vitale jongeren, kinderen, scholieren, ondernemers, voor de kwetsbaren, de ouderen, de corpulenten. Het schuitje van de een was niet het schuitje van de ander.

Ik ben geen ondernemer, geen kapper, zit niet in de evenementenbranche. Dus ik fluister het maar liever zacht. Ik mis soms de quarantaine – dat wil zeggen: de vreemde existentiële gewaarwording van de allereerste eerste week, toen alle sociale lagen werden afgeschud, het woord ‘surreëel’ om de haverklap viel als waren we in een imaginaire ruimte beland, waarbij een nieuwe sortering werd gemaakt van wie er cruciaal was, wie niet, alles grommend tot stilstand kwam en ik uit het raam keek en niet wist wat de toekomst zou brengen. Teruggeworpen op het allerkleinste groepje waar ik toe behoor: mezelf. Met het grootste raadsel van het leven als ervaring: existentie.

Het groepsgedonder is weer begonnen. Niet corona is trending, maar een burgemeester die een robbertje vecht met een minister. Het oude normaal.

Ik verstrooi nog even de tijd, de citatencarrousel draait. ‘Wat voor moeilijkheden je in het verleden ook gehad mag hebben, je kunt vandaag een nieuw begin maken,’ leert een oosterse wijsheid ons.

Willen we een gedeelde ervaring bewerkstellingen, of groepssolidariteit, dan biedt de dagelijkse imaginaire filosofische oefening van een gemeenschappelijke existentiële bedreiging – uit ons recente verleden - uitkomst.

De geschiedenis klopt aan de deur, de toekomst is al hier.

Foto credits: Romy van Leeuwen

Deel deze pagina