Vriendenactie Verslag


Foto: Robert Posthumus

Het rode zendschip van 'Radio Waddenzee' was de bijzondere locatie van de Vriendenactie van 2011.
Vriendenconcertje Lucky Fonz III En het lied heet… HEL  
Zondag 19 juni 2011

Het rode schip van Radio Waddenzee ligt deinend in de haven van Terschelling. Twee vissersboten leggen ernaast aan. Pluggen hun stekkers in de prik omdat ze hun gevangen vis goed willen koelen. PLOINK! (Of hoe dat ook klinkt.) De boel ligt eruit. Geen stroom. En vissers gaan voor Fonzers, dus Radio Waddenzee (voor nu: Radio Oerol) draait op het noodaggregaat. En daar kan een artiest niet op draaien. Ja, of ‘t zou op vinyl moeten zijn.  

Maar de vrienden van Oerol trappen zich niet lens door storm en regen om naar een plaatje te komen luisteren. Bovendien staat Lucky Fonz III niet voor niets z’n keel te schrapen in de stalen buik van de boot. Hij ontwaakte een half uur geleden iets verderop. Sliep in het artiestenhonk van Oerol, vlakbij de haven. Lucky strijkt een pluk haar voor z’n oog. Vermoedelijk heeft hij achter die lok een licht opgetrokken wenkbrauw.  

“In dat honk hoor je geluiden die je normaal niet hoort.” Misschien is dat het geluid van het eiland waarover hij praat? Heeft de organisatie het bed van de artiesten bij wijze van romantiek juist bij dat geluid neergelegd? Maar zodra Lucky het nadoet, weet je dat dat niet het geval kan zijn: “WIOEHAAAAHHHH!” (Dit leest meer als een ‘aan een lier slingerende Tarzan’, maar volgens Fonz was het een echt snerpend maritiem-achtig geluid.) Hoe het ook zij: het vraagt om nog een bakje koffie voordat hij gaat soundchecken. De stroom laat nog op zich wachten. Lucky Fonz III geeft zich gemakkelijk over aan het eilandgevoel (lees: hij blijft er vrij relaxed onder.)  

Ondertussen trappen de Vrienden van Oerol zich ongans om tegen de wind in op tijd bij de haven te komen voor hun verrassingsconcert. En verrassend is het zeker, want als Lucky Fons III (voor degenen die hem nog niet kenden: spreek uit als: ‘de derde’, niet als ‘nummer 3′) zijn privéconcert begint met de vraag of er nog vragen zijn, is de eerste: “Wie ben je eigenlijk?”  

Met z’n gitaar onder zijn vingers maakt Lucky vervolgens zijn eigen achtergrondgeluid en vertelt over zijn oma die hem Lucky noemde. Dat was dezelfde oma die hem op z’n zevende jaar leerde roken. “Bij gebrek aan tabak, wist mijn oma altijd wel waar je ergens de fik in kon zetten. Want Lucky, zei ze dan, in een uitgedrukt peukje, zit nog altijd wel tabak.” En zo rolt hij schijnbaar volautomatisch zijn eerste lied in – en zonder dat je het merkt, vertelt hij zo z’n tweede lied, z’n derde en, zo zacht, z’n vierde…  

Terwijl de blikken lampen die aan het plafond hangen, licht meebewegen op III geluiden, zijn de Vrienden van Oerol stil. Terwijl in het ijzer van de boot zijn stem resoneert, zingt hij: “Ga niet in de grond…. ga niet in de grond.” En terwijl hij zijn publiek meevoert in melancholie over de dood, staat Lucky zelf tussen z’n nummers door (en tijdens) onnavolgbaar leuk te doen. “Ik dacht, wat zou er gebeuren als ik nou eens een set lang alleen maar droevige nummers zing?” Het is dus één groot drama die zondagochtend, de eerste dag van de vriendenconcerten. Lucky zit op de preekstoel: “En het eerste lied heet… HEL.”


Tekst: Marieke Vinckers
Vriendenconcertje Hausmagger Ik voel me KUT 
Dinsdag 21 juni 2011

Toegegeven, de mogelijkheid bestaat dat dinsdag 21 juni 2011 een paar Vrienden van Oerol met dat kutgevoel het schip van Radio Waddenzee verlieten… Ontgoocheld. Van hun stoel geblazen. Of simpelweg met stomheid geslagen. Het laatste lied van Hausmagger hakte er behoorlijk in: “Ik voel me kut. Ik voel me klote. Ik voel me kut kut kut.” Het zijn op zijn minst geen gangbare teksten en daarmee werd ook het eerste, het tweede, het derde en het vierde lied gevuld. “Rauwe Rotterdamse blues”, zo noemde Vriend Ulke Hoekstra het.  

Ik kan me er wel ietsiepietsie bij voorstellen. Je komt met de gedachte dat je misschien vandaag de zoete klanken van Ellen ten Damme te horen krijgt en je verlaat geschokt een rood radioschip. Het begrip vriendendienst krijgt vanaf vandaag voor sommige mensen een heel andere betekenis.  

Dat we vandaag met andere, verfrissende, nieuwe, (te)gekke (geef ze een naam) artiesten van doen hadden, werd al gauw duidelijk toen de pomp van de plee afging. Ja, wacht, ik zal ‘t even toelichten: op het schip zit een grote toiletpomp waarvan het geluid precies lijkt uit te komen OP het podium. Dat geluid heeft iets van een scheepstoeter die zuigt in plaats van blaast. “PWOEHÈÈÈÈP!” En dat kan kort, of lang duren. Elke artiest die tot nu toe de soundcheck deed, vroeg ons hetzelfde. “Eh, die toeter. Gaat dat de hele tijd zo door?”   De kapitein kan de pomp echter uitzetten. Opluchting bij de zangers. Dus, toen Hausmagger vandaag bij de soundcheck begon met: “Eh, die toeter…” stonden wij al in de startblokken om de kapitein te waarschuwen. “Nee man. Laat maar aan staan. Ik vind het wel leuk.” Zanger Theo voelt zich snel thuis op dit schip. Het geluid van een eiland. Daar hoort wat hem betreft ook de pleepomp bij.  

Dat blijkt ook wel uit zijn teksten, waarvan hij zegt dat er vast ergens een boodschap in zit, maar dat hij ‘m zelf nog niet heeft gevonden. “Dat mag iedereen voor zich uitmaken”, zegt Theo. Na een opsomming van synoniemen voor de vrouwelijke mossel (ik dacht zelf; ik houd het heel bescheiden bij een eilandterm), waarbij toch veel mensen in het publiek met ‘t hoofd meeknikken op het ritme, zingen ze: “Wat ruikt het lekker in de metro. Poesjes, visjes, soesjes in de metro. Man Man. In de metro.”  

Ja. Iedereen kan inderdaad het beste voor zichzelf uitmaken wat de achterliggende boodschap is. De heren van Hausmagger weten de tekst echter zo viezig uit te spreken dat sommige vrouwen in het publiek ook daadwerkelijk vies gaan kijken.  

Terwijl tijdens het eerste optreden nog veel mensen iets anders aan het doen zijn (de één zit wat vuil onder de nagels weg te halen, de ander maakt met wat haar een lus om de vinger), krijgt Hausmagger bij de tweede set direct een “WHOEHOEH!”-applaus. De Vrienden die het duo weten te waarderen, hechten vooral ook waarde aan de gedichten die Theo tussendoor opvoert. Hij leest alles (zowel dicht als lied) voor vanaf een blaadje vol zelfgeschreven krabbels, leunt daarbij op z’n microfoonstandaard terwijl Ed hem begeleidt op een vette elektrische gitaar waarvan de echo nu nog over Ameland wegwaait.  

Op een bankje in het schip zit een man letterlijk met de handen in het haar zich af te vragen wat hij hiervan moet vinden. Op hetzelfde bankje zitten later twee mensen die zich afvragen waarom ze ook alweer Vriend van Oerol zijn geworden. Is dit cultuur? Of zijn dit cultuurbarbaren? Als Ed met zijn elektrische gitaar het publiek instormt en door vrouwen aangeraakt mag worden, houdt de heer zijn houten wandelstok maar stevig vast en kijkt gespannen naar de vloer. Theo’s laatste woorden sterven weg langs de kombuis… “Was ik niet goed genoeg? Of was mijn lul te klein?” Het is alsof je naar Jiskefet zit te kijken, alleen dan is het echt.


Tekst: Marieke Vinckers
Vriendenconcertje Case Mayfield Ode aan Case Mayfield 
Vrijdag 24 juni 2011

Lieve Case,

Gisteravond zat je voor een groep bierdrinkende lawaaimakers in Midsland. Vandaag was je bij ons in het schip op West. “Blij dat ik mijzelf kan horen…” Dat zei je. Dat is geheel wederzijds weet je. Jij bedankte je publiek. Niet één, niet twee, maar soms wel drie keer. Wij waren stil. “Ik word er haast nerveus van…” Dat zei je. Maar wij konden simpelweg niet praten weet je. Zo mooi. Zo in-druk-wek-kend mooi.  

Je bent iemand die door je zang, je intonatie en je onverwachte stiltes het applaus van je publiek weet uit te stellen, vermoedelijk zonder dat je het zelf door hebt. Wij wachtten, om zeker te weten dat het echt je laatste toon was die wegstierf over het wad ~ waar ondertussen de Mars der Beschaving een kruis sloeg voor kunst & cultuur.  

Wij zaten met vijftig mensen in stilte te luisteren naar jou, terwijl iets verderop vijfduizend mensen dat kruis vormden. Jij werd stil van hoe je stem resoneerde in dit schip. De geluidsvrouw op haar beurt werd stil van jou. (“Dit heb ik nog nooit meegemaakt.” Dat zei ze.) En ik weet dat iedereen hetzelfde dacht.  

Je danst op je gitaar. Je duikt zacht weg achter je microfoon om in je eigen muziek te kruipen. Dat maakt het zo klein, zo lief en zo verschrikkelijk ongrijpbaar. Je weet van ‘vader Jacob’ de mooiste melodie te maken die je ooit hebt gehoord. Met je vingers sla je zacht en ritmisch op de buik van je gitaar. Nee, dat zullen ze gisteren in de kroeg inderdaad niet gehoord hebben… Alles beweegt aan je lichaam. Je schouder danst, je voeten lopen mee op de akkoorden en als je een uithaal maakt, dan vergeet je een seconde de schorheid die in je stem te horen is als je zacht zingt. Je maakt van dat kleine stukje ruimte achter je microfoon je eigen domein, je eigen ruimte ~ en daar lijk je liefdevol in te verdwijnen.  

Als je het moment geeft aan je gitaar, dan ga je haast ongemerkt iets achterover zitten, alsof je ontspant, alsof jouw gitaar het geluid voortbrengt en het niet jouw vingers zijn die dat instrument bespelen.  

Als het schip krakend en piepend langs de kade schuurt, precies op het moment dat jij met je stem stilte houdt, lach je. “Dat relativeert het allemaal weer even.” Maar de intensiteit van je teksten laat ons met vragen achter. Je weet als luisteraar niet of ze uit jouw leven gegrepen zijn, je vermoedt van wel ~ en juist dat maakt de vragende blik in je ogen waar die film zich moet hebben afgespeeld, nog pijnlijker mooi.  

De manier waarop je tegen je instrument aankruipt is haast aandoenlijk. Je haalt overal alle mogelijke tonen uit. Uit je eigen stem, uit je gitaar en zelfs van dit houten podium weet je een klankkast te maken. Zo dichtbij. Zo klein. Zo ingetogen en je uithalen zo intens.  

Zelfs van stilte weet je iets moois te maken. Misschien schrok je daarom van het applaus. Wij wilden daarmee niet ophouden. Waren het liefst de hele dag doorgegaan. Je lachte bescheiden tegen het podiumlicht in en liet het allemaal maar over je heenkomen. “I’m gonna build me a boat…” (But Case, please don’t sail away.)


Tekst: Marieke Vinckers
 
Vriendenconcertje Ellen ten Damme Ellen ten Damme op je mobieltje  
Maandag 20 juni 2011

Ooit had ik een vriendje dat tijdens een romantisch diner ineens uit z’n broek zong. Hij had zo’n muzikaal telefoondeuntje. Iets uit de jaren ‘80 geloof ik. Een vrij irritant geluid. Hij greep direct naar z’n broekzak, toverde het mobieltje eruit en drukte op het groene knopje. “Ja hoi!” Ja HOI?, dacht ik. Hoezo? Ja HOI?! Weg met dat ding! Wij zitten hier heel romantisch te doen! Romantiek en mobielen, dat gaat niet samen.  

Ik heb eraan moeten wennen. Het is nu eenmaal van deze tijd. ‘t Mobieltje hoort erbij. Ik verwacht dat het nog eens zover komt dat de verloskundige in het ziekenhuis tegen de kersverse ouders zegt: “Ja! Hij is er! En alles zit eraan.” Vader dólgelukkig: “Wat is het?” Verloskundige: “Een iPhone” en overhandigt de baby. Nu is het zo dat Oerolgangers nog wel het fatsoen hebben (het zijn gelukkig cultuurliefhebbers) hun mobieltje op ’stil’ te zetten als ze naar een voorstelling gaan. Maar, ze hebben ‘m wel in de hand – constant. Dat is cultuurbeleving anno nu. En wie weet, groeit hij er nog eens aan. Evolutietrucje, best handig.  

Enfin. Het is maandagochtend, 20 juni 2011. Ellen ten Damme doet een oog open – en – sluit hem direct weer. Ten minste, zo stel ik mij dat voor. Want, het is vroeg. De organisatie van de Vrienden van Oerol staat al op de loopplank van het Radio Waddenzeeschip. Hand boven de wenkbrauwen (want,YES! de zon schijnt @Oerol!) op de uitkijk. Ellen, Ellen, ben je onderweg? Er hangt een sfeer van onrust. Het lagedrukgebied heeft ‘t eiland verlaten, het hogedrukgebied stroomt door ieders bloed. Ellen ten Damme komt eraan.   En als artiest mag je verwachten dat de boel voor je klaar staat. Dat je achter je piano plaats kunt nemen voor de soundcheck. Maar de piano ligt nog onaangeroerd op de bank. De snoerenboel ernaast. Ellen pakt haar gitaar dan maar – en doet vocaal een toonladder.  

Buiten staan de Vrienden te wachten. “Wie verwacht je?” Ellen ten Damme. Nee, ik HOOP Ellen ten Damme. Do re mi fa sol la ti do! En op de voorsteven van het schip staat Meindert Talma zijn voorstelling te geven. Er is reuring. Er is geluid. Het geluid van een eiland…. Benedendeks loopt het vol. Ellen vraagt voor ze zich wil omkleden nog snel aan de fotograaf: “Zal ik casual gaan of in m’n jurk?” “Iedereen is hier al casual”, antwoordt hij.   En daar staat ze ineens, in haar gele jurk. Op haar hoofd een dikke rastapet. Haar ogen vangen je, haar stem vloert je. Stilte. “Ich weiB nicht, zu wem ich gehöre…”  

En dan die mobieltjes van waarachter het publiek haar bekijkt. Een fenomeen waaraan ik niet kan wennen. Je hart kan niet geraakt worden als er een apparaat tussen zit. (Maar thuis wil je natuurlijk laten zien dat je bij Ellen ten Damme in de huiskamer zat. Want deze boot, dat voelt toch een beetje als thuis.) “Vraag me iets,” zegt ze plots. Iemand vraagt: “Wat vind je zelf het mooiste nummer?” En Ellen antwoordt met haar nieuwste lied, eerst nog licht weifelend. (“Ik weet niet of ik het durf. U kent het nog niet. Maar ik zelf eigenlijk ook niet!”) Haar steun en toeverlaat staat naast me en ik hoor hem fluisteren: “Ellen, je kunt het, doe het.”  

En dan klinkt die piano ~ ik verwacht dat de vissen in de haven even stilhielden toen zij zong: “Ik dans, maar jij ziet me niet…” Nooit mij vergeten. Ellen. Never. Dit nummer raast rechtstreeks je hart in. En weet je wat ‘t mooie is? Niemand die op dat moment zijn mobieltje in de hand had. Jouw primeur, blijft dus onder ons. Dank je, dat je optrad voor de Vrienden van Oerol.


Tekst: Marieke Vinckers
Vriendenconcertje Ragtime Wranglers Waddenschip goes overseas
Woensdag 22 juni 2011

Een donkere Amerikaanse kroeg. Lampen die laag boven tafeltjes hangen. Rook wordt in flarden gevangen door het licht. Onder het publiek hangt een gespannen sfeer. De dansvloer is nog leeg. Op een barkruk in de hoek zit een man met een hoed op, hij rookt een Lucky Strike en staart naar de grond. Dan schuift een rood gordijn open en ziet het publiek op het podium een bassist, een gitarist en een drummer. Ze zetten in met The Manhunt en binnen no time staat de dansvloer vol met mannen en vrouwen die elkaar zonder pauze aankijken terwijl ze uit hun dak gaan. Een combi tussen rock-’n-roll en boogie. Hitte. Lach. Jaren ‘50. Omringd door geuren van zweet, drank & lust.

PICTURE THIS. En dan op het rode schip van Radio Waddenzee. Benedendeks. The Ragtime Wranglers. Het verrassingsconcert voor de Vrienden van Oerol. De organisatie van Oerol heeft de Ragtime Wranglers deze woensdag 22 juni 2011 op de snelboot gepland. Zijn ze lekker vlug op het eiland. Heel tof. Maar een volle snelboot is niet handig met een contrabas, drumstel en dubbele elektrische gitaar als bagage. Last minute overboeken dus. En, dan, logisch, later komen – want alles is volgeboekt of course.

INTERMEZZO
Gelukkig is daar onze LUCKY FONZ III, die wil de eerste set wel spelen voor onze Vrienden. Weliswaar komt hij net z’n nest uit en zit z’n haar alsof hij al drie dagen met de wind mee aan het fietsen is, maar hij staat er weer. And the crowd loves him. Ook al start hij wederom met droevige liederen omdat hij naar eigen zeggen pas jolig wordt na elven ’s avonds. (Het is elf uur in de ochtend. Het geluid van een eiland is daarom nog melancholisch, wat Lucky Fonz betreft.) Toch krijgt hij z’n publiek weer mee als hij een soort van zingend vraagt: “Kun je ook verliefd worden op een paars konijn?” (…) “Of op een raamkozijn?” en vervolgens in een lied terecht komt waarvan het net zo goed zou kunnen dat hij het terplekke staat te verzinnen. Je weet het nooit.
EINDE INTERMEZZO

En terwijl Lucky Fonz III na zijn optreden rustig een broodje kaas zit te eten met zijn gitaar naast zich, zetten de mannen van de Ragtime Wranglers hun spullen klaar op het podium (dat overigens bij Lucky nog best groot leek…..) Buiten staan de Vrienden te wachten. Het waait. De kou zit in de botten. En tegen de tijd dat zij het schip op mogen, is de sfeer van zweet, drank en lust ver te zoeken. Er moet Juttersbitter in. Dat vindt dan ook gretig aftrek.

Het benedendek zit vol. Het gordijn dat er niet is, gaat open. De drummer haalt nog net een vette lik gel door zijn haar (de pot staat vermoedelijk stiekem achter z’n basdrum) en roffelt een opwarmertje. Mensen hebben hun jas aan. Zitten op hun stoel. De contrabassist valt nog net niet van het podium af, maar hij is het gewend om op een klein oppervlak zijn muziek te maken, dat zie je. Z’n vingers ingetapet. Een prachtkop, alsof hij vijf seconden geleden uit een jaren ‘50 film is getrokken. Opgeschoren kop, dikke dos haar er bovenop. Goeie bril met dik montuur en blauw glas. Als hij speelt, kijkt hij alsof hij zelf verbaasd is over de muziek.

Het is muziek waar je in moet komen, helemaal als je Hollands bloed hebt. Dat is puur dieselwerk. Eerst warmdraaien. De mannen van Ragtime komen op het podium van twee bij drie tot leven en gaan op in hun muziek. Symbiose. Zelfs met een gastspeler die de helft van hun muziek nog niet kent; trompettist Joe Rivera die meespeelt alsof ze ‘t al jaren samen doen. En dan… Miserlou van Dick Dale (Pulp Fiction). DIT is het moment om je stoel aan de kant te smijten, je buurman vast te pakken en die sfeer van the fifties te grijpen. Een paar Vrienden willen wel, maar voelen zich gevangen in de buik van dit schip. Ze knikken Hollands op de muziek mee. Een enkeling beweegt het bovenlijf erbij. RAGTIME. Echt on-Hollands goed.


Tekst: Marieke Vinckers
Vriendenconcertje Marike Jager Zon schijnt VOL op OEROL
Zaterdag 25 juni 2011

Eigenlijk luister ik al jaren niet meer naar weermannen. Kan ze niet meer serieus nemen. Ik begrijp werkelijk niet dat je met zoveel meteorologisch meetapparatuur het nòg voor elkaar krijgt de boel niet goed te voorspellen. De zekerheid waarmee weermannen dat doen is er ook een beetje vanaf, merkt u dat? (De zelfverzekerdheid daarentegen nog altijd niet.) Maar het fenomeen is al een paar jaar gaande: “Het KAN zijn dat morgen de zon gaat schijnen. Maarrrrr… het kan óók zijn dat dat nog even op zich laat wachten…” Van die dingen en zo.  

Ik kan het overigens aanraden om niet meer naar het weer te luisteren. Niet om de teleurstelling te vermijden, maar omdat het leven daar simpelweg leuker door wordt. Je zult zien dat vaker de zon schijnt, gewoon doordat je er niet meer zo veel mee bezig bent. Zo lang in je hoofd de zon schijnt, schijnt hij overal – ook als het regent.  

Zo zei ook Marike Jager vandaag op het podium op ‘t Groene Strand: “Laten gewoon afspreken dat het NIET regent.” Ondertussen stond de pianist bij vlagen zijn toetsen droog te poetsen en waaide de regen gewoon het podium op, tegen Marike aan. Toen ze het Groene Strand op kwam rijden, stond er nog niemand. Toen ze haar eerste nummer inzette en ik één keer met mijn ogen had geknipperd, stond het ineens vol.  

Vol poncho’s. Vol paraplu’s, regenjassen en glimlachen. Het miezerde. Ouderwets. Tot op je onderbroek nat. Het deerde niet. Als Marike wisselt van gitaar en haar blouse verruilt voor een hemd, krijgt iedereen het warm. De nummers van haar nieuwe cd klinken over het wad. “Harder!”, roept iemand achter me. En, als op commando, valt de regen plots als een dikke nevel over ons heen en trekt de band aan met “Here comes the night, TO WASH IT AWAY…”  

En waar Marike op dat grote podium, waar gisteren nog zo’n vijfduizend man in de volle zon voor stond te swingen (ik had haar dat gegund, zowel het publiek als de warmte), nog in een strakke zwarte lederen broek zong, kwam ze op onze boot in een spijkerbroekie met bruine boots aanzetten. Loshangend wit bloesje en haar op coupe wind (al kwam dat overigens niet door de wind zelf).  

Hier op het schip van Radio Waddenzee kwam ze thuis. Net als wij allemaal. Zowel zij, haar bandleden – als wij, hadden een Juttersbittertje nodig om op te warmen. Hoewel? Met de klanken van Marike’s stem waren wij zo ook wel warm te krijgen. De blik in haar ogen heeft dito effect. Alsof zij altijd nieuwsgierig is naar wat zich schuin boven haar afspeelt.  

Ze is de enige artiest die hier deze week akoestisch speelt. Ze maakt gebruik van de ruimte, zoekt haar publiek op, gaat ertussen staan en ze zingt zacht – zo zacht – dat sommige mensen om zich heenkijken zoals zij dat zelf kan doen. Vragend, verbaasd, met een glimlach omdat alles zo simpel & mooi lijkt.   Het moet lastig schakelen zijn van zo’n groot podium in de zeikende regen, naar een huiskamer op een schip. Het is contrastrijk; die band groot versus klein. En dan heb ik het niet over de leren broek ten opzichte van het spijkerbroekie. Nee, ik verbaas mij erover hoe deze drie muzikanten hun nummers die (vooral bij de laatste cd) gevuld zijn met effecten (in samenwerking met producer Tchad Blake) gewoon net zo goed – zo niet beter – in deze intieme kleine setting kunnen laten klinken. Zo moet ‘t bedoeld zijn. Zo moet het zijn zoals ze het zelf voor de eerste keer hebben gehoord.   Het mooie aan zo’n setting als deze is dat de artiest vlak voor je neus staat te stemmen tussen de nummers door. Dat je de glimlach van dichtbij ziet. Dat je Marike letterlijk tussen de mannen ziet kruipen wanneer deze bij wijze van slotakkoord a capella “Listen to your baby” zingen.  

Het onderstreept hun discussie die voorafging aan ‘t optreden hier. Het laat zien hoe hecht ze zijn. Marike: “Als jullie daar op het podium gaan zitten en ik hier voor jullie sta, dan voelt dat niet goed.” Ze is een teamplayer. Zowel met haar publiek als met haar band.   De ritmes in haar muziek zijn soms even onverwacht als de melodie. Het is niet gangbaar. Je kunt het (gelukkig) niet invullen. Het gaat altijd een andere kant op dan je verwacht. Net als dat haar van haar. En dat is zeldzaam (vult u zelf in wat ik bedoel). Binnen die onverwachte muziek passen de geluiden van het schip dat, net als bij Case Mayfield, op de meest kwetsbare momenten zijn ijzeren romp tegen de kade schuurt.  

“She wears white in springtime. She makes brave men cry.” Marike zingt het zo hoog en breekbaar dat het buiten stopt met regenen. De buienradar zag vandaag de miezer niet en beloofde Oerol tegen twaalven blauwe luchten. Krol wist niet beter en stotterde: “Marike Jager is op Oerol, dus het KAN zijn dat de zon schijnt.” MIS! De zon schijnt zonder meer als Marike Jager zingt. En wij waren er zomaar bij.


Tekst: Marieke Vinckers